De dieren die in water voorkomen zeggen veel over de kwaliteit van dat water. De verschillende soorten ongewervelden die in een vijver kunnen voorkomen, zijn niet allemaal even gevoelig voor verontreiniging.

Trots wanneer libellen komen

Sommige soorten zijn heel gevoelig. Zij hebben erg proper water nodig om te kunnen leven. Kokerjuffers, libellenlarven, larven van haften en steenvliegen bijvoorbeeld. Deze soorten zijn de eerste die verdwijnen als het water vervuild raakt of te weinig zuurstof bevat. Kom je ze tegen, dan mag je trots zijn op je watertje.

Andere soorten kunnen water aan van iets mindere kwaliteit. Kreeftachtigen verdragen een lichte verontreiniging, al zijn ook zij natuurlijk gebaat bij zuiver water. Als je veel zoetwaterpissebedden, watervlooien en zoetwatervlokreeften ziet, maar geen andere soorten zoals libellenlarven, haften of steenvliegen, dan is er sprake van vervuiling.

Wat bij massale muggenlarven?

Nog andere soorten kunnen heel wat vervuiling aan. Muggenlarven en slingerwormen zijn weinig gevoelig voor verontreiniging. In vervuild en zuurstofarm water zijn zij de laatste soorten die overblijven. Als de meer gevoelige soorten verdwenen zijn, dan is er meer ruimte en minder concurrentie voor de overblijvers en zijn er ook minder predatoren. Het gevolg is dat de muggenlarven massaal aanwezig zijn. Heb je uitsluitend deze soorten, dan is de waterkwaliteit niet goed. Er kan zuurstoftekort zijn of er zitten zware metalen in het water.

Door de diersoorten te determineren en te tellen, en vooral door te kijken welke dieren niet aanwezig zijn, krijg je een idee van de kwaliteit van het water.


Foto's: Stefan Jacobs