Om het juist gebruik van mulch beter te begrijpen, helpt het om te begrijpen hoe natuurlijke successie werkt. Lees de uitleg hier: www.velt.nu/successie

Hoe 'mulcht' de natuur?

Wat we in de tuin mulch noemen, komt in de natuur overeen met de natuurlijke strooisellaag. In de natuur ontstaat die pas tijdens het graslandstadium en bestaat dan vooral uit afgestorven blad en bloeistengels van grassen en graslandplanten. Als de natuur haar gang kan gaan, gaat de vegetatie over naar ruigte en daarna struweel en bos. Graslandplanten verdwijnen en de strooisellaag bestaat meer en meer uit bladeren en takjes van bomen en struiken.

Wat betekent dit voor de tuin?

Als je een bloemenakker (pionierstadium) of een bloemenweide (graslandstadium) inzaait (lees hier wat het verschil tussen beide is, en hier hoe je een bloemenweide aanlegt en beheert), breng je zelf geen mulchlaag aan omdat de zaden snel kiemen en de jonge plantjes snel de bodem bedekken. Als je zou mulchen, zou je de kieming bemoeilijken of tegenhouden. Het beste zaaitijdstip is daarom de lente of het najaar, wanneer het (meestal) nog niet te droog of te warm is en plantenzaden vlot kunnen kiemen. 

De moestuin, eveneens een ‘pionierstadium’ vormt een uitzondering: hier zaai of plant je niet even dicht omdat je je groenten alle nodige plaats wil geven. Je laat veel meer open ruimte, en die ga je dan wel bedekken met mulch. Lees hier hoe je mulch in de moestuin gebruikt: www.velt.nu/mulch

Als je kale aarde (normaal gezien pionierstadium) beplant met planten die thuishoren in een later successiestadium (bv. struiken, lage bodembedekkers, …), sla je stappen in de natuurlijke successie over. Kale aarde tussen planten bedek je daarom alvast zelf met een passende laag organisch materiaal (mulch). In een zonneborder (grasland- of ruigtestadium) gebruiken we maaisel, stro en verdorde bloemstengels, en onder struiken en bomen (struweel en bosstadia) gebruiken we herfstbladeren, snoeihout, houtsnippers of schors tot de beplanting dicht groeit en zelf de strooisellaag aanvult.