Bloembollen zijn hét symbool bij uitstek van de lente en van de natuur die weer ontluikt. Voor de bijen zijn ze vaak het eerste voedsel. Maar onze verbazing is groot als we lezen hoe slecht gangbare bloembollen zijn voor bijvoorbeeld bijen. Daarom kies je beter voor biologische bloembollen. En met volgende tips breng je gegarandeerd een mooi kleurenpalet in je tuin.

1. Een geschikte standplaats

Het belangrijkste is de standplaats. Een bol die op haar ideale plaats staat, bloeit jaarlijks en verwildert vlot. Op een minder ideale plaats kan de bloei minder rijk of lang zijn, en verloopt verwildering mogelijks trager. Hou rekening met de hoeveelheid zonlicht die de bollen nodig hebben terwijl ze groen blad hebben, en de vochtigheid van de standplaats. De ene bol ssptaat graag vochtiger dan de andere, maar in de meeste gevallen liefst op een goed drainerende bodem.

2. Bloeitijd

Bepaal de gewenste bloeitijd, rekening houdend met de functie van het beplante perceel. Een grasweide die in mei moet dienen als speel- of ligweide, zal je vroeg moeten maaien. Kies dan voor bloemen die tegen eind maart uitgebloeid zijn, zodat het loof nog 4 à 6 weken de tijd krijgt om af te sterven voor je het maait. Gemiddeld kan je rekenen dat een soort 2 à 3 weken bloeit, al is dit soort-, weer- en standplaatsafhankelijk. In een border of in ‘eilandjes’ van ongemaaid gras in een speelweide kan je de bloei onder ideale omstandigheden rekken van februari tot eind mei.

3. Kleur, geur en hoogte

Kleuren kan je natuurlijk volledig naar eigen smaak kiezen. Heb je hiermee geen ervaring of wil je zeker zijn dat het plaatje er harmonieus uitziet, kan je best enkele ‘veilige’ kleurencombinaties aanhouden. Kleuren die dicht bij elkaar liggen, harmoniëren het best, bijvoorbeeld:

  • geel, oranje, rood
  • wit, roze, rood, roodpaars
  • wit, blauw, paarsblauw
  • paarsrood, paarsblauw (lila) en blauw
  • groen en geel
  • groen en blauw

Verschillende schakeringen binnen eenzelfde kleur kan je ook prima combineren. Witte en ‘koele’ tinten zoals blauw en blauwpaars ogen rustiger dan geel en rood. Je kan ook op een beperkte plaats diepte creëren door zachtere kleuren op de achtergrond te zetten en enkele felle, opvallende bloemen in de voorgrond of in de hoogte eruit te laten springen. Lekker geurende soorten (botanische tulpen en narcissen) krijgen een grote meerwaarde op gemakkelijk toegankelijke of verhoogde plaatsen met veel voorbijgangers.

Soorten met veel of snel lelijk wordend blad (bv. blauwe druifjes, sierui) staan goed tussen andere (vaste) planten of verder op de achtergrond. Variatie in lage (< 20 cm), middelhoge (20-40 cm) en hoge (> 40 cm) planten brengt eveneens extra structuur in de beplanting. In de border kan je de verschillende hoogtes aanhouden tot laat in het najaar, maar in een grasweide zijn lage soorten enkel in het vroege voorjaar interessant, omdat ze later overgroeid worden door het gras. Voorzie daar hogere soorten vanaf half april tot mei.

4. Aantal soorten en plantdichtheid

Hou het simpel, zodat telkens maar 2 à 4 soorten bollen tegelijk bloeien. Vul eventueel aan met lentebloeiende kruidachtigen, zoals longkruid. De plantdichtheid (aantal/m²) verschilt per soort, naargelang de grootte van de bol, de plant en de manier van verwilderen. Op verpakkingen lees je vaak de maximale plantdichtheid en/of de minimale plantafstand: daarmee krijg je het eerste jaar een dens kleurentapijt, maar wordt het snel druk onder de grond als de bollen de komende jaren moeten vermeerderen. Voor verwildering of voor of combinaties van verschillende soorten, plant je dus best maar de helft of minder dan het aangegeven aantal/m². Na verloop van tijd kan je te groot geworden clusters bollen splitsen en elders weer uitplanten. Zo ga je tegelijk vermeerderen en 'verjongen'.

Heb je een groter perceel en wil je toch meteen intensere kleur, dan kan je bollen wat dichter op elkaar planten in linten die door het perceel slingeren, en ervan genieten hoe ze ieder jaar breder worden.

5. Vraatbestendige combinaties

Zitten er woelmuizen op het perceel, bescherm dan de bollen waar ze graag aan knabbelen (tulpen en krokussen, behalve de boerenkrokus C. tommasinianus) door ze tussen bollen te planten die ze niet lusten (sterhyacint, narcissen, zomerklokje, sierui).    (C) Foto's: François De Heel